Wie in control is, krijgt vertrouwen
Debat over het nieuwe stelsel
Gepubliceerd door redactie op maandag 1 februari
Ja, zegt Taede Sminia, hoogleraar Histologie en Immunologie, Vrije Universiteit Amsterdam.
Nee, zegt Kristiaan Versluys, directeur onderwijsaangelegenheden, Universiteit Gent.
Een debat over het nieuwe stelsel.
Taede Sminia
'Hoewel ik de stelling met de daarin zowel de conclusie als de constatering van harte onderschrijf, moet mij wel van het hart dat control een Nederlands, noch een Vlaams woord is. Tegelijkertijd schatten we de betekenis van dit begrip juist in.
Control is het toezicht op de juiste uitwerking van beleid en regelgeving, het onder controle hebben, meester zijn van, goed inzicht hebben in de sterke en zwakke punten van de instelling, de zaak zo transparant hebben dat alle betrokkenen er weet van hebben. De conclusie van de stelling (krijgt vertrouwen) is mij meer uit het hart gegrepen. Zeker in Nederland worden zaken steeds meer vanuit een gevoel van wantrouwen benaderd. Het begrip vertrouwen lijkt minder in deze tijd te passen. Maar: wantrouwen leidt tot een enorme regelzucht en dienovereenkomstig tot een uitgebreide en meer en meer uitdijende bureaucratie.
Er zijn tal van redenen om trots te zijn op en vertrouwen te hebben in het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Denk aan de deskundigheid, ervaring en authentieke autoriteit van de professionals die met hart en ziel binnen de instellingen voor hoger onderwijs hun werk-zaamheden verrichten. Het is niet meer dan vanzelfsprekend die trots en dat vertrouwen in termen van kwaliteit en control expliciet uit te spreken en vast te leggen.
Natuurlijk moet ook vertrouwen gestoeld worden op een grondige analyse door externe professionals (de auditcommissie) die de instelling in al haar aspecten tegen het licht houden. Daartoe heeft de NVAO op een zeer zorgvuldige wijze en in overleg met velen een nieuw accreditatiestelsel ontwikkeld. Een systeem waarbij het niet gaat om de beoordeling van de kwaliteit van de afzonderlijke opleidingen maar een audit van de gehele instelling om zo vast te kunnen stellen of het bestuur van de instelling vanuit een heldere visie op de kwaliteit van het primaire proces (het onderwijs en het daarmee al dan niet verbonden onderzoek) een doeltreffend systeem van kwaliteitszorg hanteert. Een systeem op basis waarvan de kwaliteit van het onderwijs gegarandeerd kan worden.
In essentie gaat het er bij de instellingsaudit om een antwoord te krijgen op vijf samenhangende vragen die in standaarden zijn vastgelegd. Aan de auditcommissie is het dan om een oordeel te vellen: 'voldoet wel', 'voldoet niet' of 'voldoet maar ten dele'. De commissie mag daarbij niet over één nacht ijs gaan. Een oordeel rust op een kritische zelfanalyse, een instellingsanalyse van de NVAO en één of meerdere bezoeken aan een instelling.
Zoals al aangegeven komt hiervoor veel schriftelijk materiaal op tafel als basis voor intensieve en openhartige gesprekken met de diverse geledingen binnen de instelling. Als de auditcommissie door haar samenstelling autoriteit heeft en de kunst van het doorvragen verstaat - en wie twijfelt daaraan? - dan kunnen zeker conclusies worden getrokken over het al dan niet in control zijn van de instelling. Dan kan het daaraan verbonden predicaat "vertrouwen" met recht als eindoordeel aan de instelling verleend worden.'
Kristiaan Versluys
'De invoering van het stelsel van visitaties en daarna ook accreditaties heeft geleid tot een Copernicaanse revolutie in het Vlaamse universitaire landschap. Zelfreflectie en de toetsing van resultaten door een externe commissie van experts stellen opleidingen in staat hun programma’s en procedures te optimaliseren en hun onderwijsaanbod aan te passen aan de steeds wijzigende wetenschappelijke en didactische inzichten. Hoewel lastig te meten, wordt aangenomen dat het stelsel zorgt voor een consistente opbouw van leerprogramma’s en aandacht voor inhoud en methodiek bij het doceren.
Deze verbetering van onderwijskwaliteit heeft echter zijn prijs. De Universiteit Gent heeft 166 opleidingen, die het voorwerp zijn van een vijftigtal visitaties. Als men bedenkt dat elke visitatie gemiddeld 45.000 euro kost, is de rekening vlug gemaakt. Daarbij komt nog dat de hele cyclus van zelfevaluatierapport tot uiteindelijke accreditatie; een grote inspanning in termen van arbeidsuren van opleiding, centrale universitaire administratie, de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de NVAO vergt.
Het nieuwe accreditatiestelsel poogt met minder inzet van middelen kwaliteitstoets te organiseren. Die moet leiden tot vergelijkbare resultaten. Uit een pilot op de Universiteit Gent blijkt dat meer rendement er alleen kan komen als we op een aantal potentiële nadelen van het nieuwe stelsel adequaat anticiperen.
Belangrijk is het bestuurlijk overleg tussen instelling en de NVAO, voorafgaand aan de audit. De te accrediteren instellingen zijn zeer verschillend van omvang en samenstelling. Een instellingsaudit kan enkel tot passende adviezen leiden als de procedure van de instelling op maat is gesneden. En als er rekening wordt gehouden met de specifieke organisatiestructuur en de bedrijfscultuur. Het is ook nodig bij de samenstelling van het panel streng toe te kijken op de onafhankelijkheidsregel. Leden van het auditpanel mogen geen vooringenomen standpunten innemen of de eigen visie als maat hanteren.
Het gevaar bestaat dat de audit zich te veel toespitst op de kwaliteitsborging op instellingsniveau. De centrale controlemechanismen krijgen te veel aandacht. Men gaat dan voorbij aan het feit dat niet in alle gevallen een centralistische aanpak valt aan te bevelen. Kwaliteit hoeft niet altijd centraal te worden afgedwongen - afhankelijk uiteraard van de omvang van de instelling. Leiding van faculteiten of departementen staat dichter bij het werkterrein. Zij is vaak het best geplaatst om te waken over inhoud en kwaliteit van de aangeboden studierichtingen.
Een laatste aandachtspunt is de gereduceerde of beperkte opleidingsbeoordeling. Uit een meerderheid van pilots is gebleken dat de opleidingsbeoordeling zich maar moeilijk laat comprimeren. Misschien is dit wel de achilleshiel van het nieuwe stelsel. Toch is het voor bestuur en maatschappij cruciaal te weten of opleidingen optimaal functioneren. Of ze voldoen aan de internationaal geldende normen. Externe opleidingsbeoordelaars moeten tijdens de visitatie daarom genoeg ruimte en tijd krijgen om zich een adequaat beeld van het aangeboden onderwijs te vormen. Een auditstelsel waarbij het zwaartepunt al te zeer zou verschuiven van concrete opleidingen naar centrale administratie of overheid is een stelsel waarbij procedures meer gewicht krijgen dan feitelijke leerinhouden. Dat is een onwenselijk stelsel waarbij bureau-cratische processen de inhoudelijke toetsing gaan overheersen.'
Dit artikel verscheen in Q&A magazine, nr. 1, februari 2010.

Reacties
Er zijn nog geen reacties op dit artikel.