of registreer

Logo Q&AQ&A

kwaliteitszorg in het hoger onderwijs

Uitgeprobeerd

Gepubliceerd door Joost Degenaar/Ton van Haaften op maandag 1 februari

Uitgeprobeerd

In Q&A magazine (febr 2010) spreken Joost Degenaar en Ton van Haaften over de voordelen van het nieuwe accreditatiestelsel. Zij waarschuwen ook. Twee casussen.

Casus 1: Verschil mag er zijn / Joost Degenaar

'De commissie acht het kwaliteitszorgsysteem, dat de Hanzehogeschool Groningen heeft ontwikkeld, doordacht en solide… De betrokkenheid van docenten, studenten en het werkveld is groot… Binnen de Hanzehogeschool Groningen heerst een verbetercultuur…” Dit zijn enkele citaten uit het adviesrapport van de pilot Instellingsaudit, die in november 2008 bij de Hanzehogeschool Groningen plaatsvond. Wij zijn erg blij met dit oordeel over ons kwaliteitszorgsysteem en onze kwaliteitscultuur en hebben met de aanbevelingen om systemen en werkwijzen verder te verbeteren, ons voordeel gedaan.

Sinds eind jaren negentig werken we binnen de Hanzehogeschool Groningen stelselmatig en organisch aan het ontwikkelen en verder verbeteren van kwaliteit. Voor ons interne kwaliteitssysteem werken we met het EFQM-model voor het hoger onderwijs. Opleidingen laten elke drie jaar een interne audit uitvoeren, voorafgegaan door een zelfbeoordeling. We meten hiermee de waardering van studenten, personeel en werkveld. Zo hebben we zicht op concrete resultaten en prestaties. Opleidingen werken voortdurend aan de verbetering van kwaliteit.

Vanaf 2004 zijn onze opleidingen op basis van het huidige stelsel gevisiteerd en geaccrediteerd. Het nieuwe stelsel biedt ons ook de mogelijkheid gebruik te maken van een instellingsaudit. Wij hebben bewust gekozen voor deelname aan de pilot. We hebben ons zowel op instellingsniveau als op opleidingsniveau, bij de opleiding Dans, laten beoordelen volgens het nieuwe stelsel.

We hebben gemerkt dat het nieuwe accreditatiekader ruimte biedt om eigen keuzes te maken. Die ruimte hebben we in de pilot dan ook genomen. Onze conclusie: Verschil mag er zijn. Ons accent lag op de dynamiek en de focus op de omgeving. Die spoort aan om nieuwe ontwikkelingen in te zetten en kansen te benutten. Een accreditatiekader dat meer op inhoud is gericht, biedt daar, ook op opleidingsniveau, ruimte voor. Een gesprek met peers reflecteert onze keuzes en biedt feedback. In de beoordeling moeten verschillen ook duidelijk worden. Zo kan ook excellentie worden erkend.

En het kan ook allemaal echt lichter! We zullen er allemaal nog aan moeten wennen, maar die stapels documenten hoeven echt niet meer. Ook daarbij is het motto: kies zelf en wees selectief. Een goed geënstrueerde commissie met een scherp timmermansoog heeft snel in de gaten waar nog aanvulling nodig is en zal daar zelf om vragen. Dat het eigen systeem ook op orde moet zijn om het gevraagde snel te kunnen leveren, spreekt dan voor zich.'

Joost Degenaar is Onderwijsdirecteur van de Hanzehogeschool Groningen.

Casus 2: Kind niet met badwater weggooien / Ton van Haaften

'Zo’n vijf jaar geleden was ik als decaan van de Leidse Faculteit der Letteren zeer nauw betrokken bij de toenmalige visitatie en accreditatie van de opleidingen in het domein van de geesteswetenschappen. De inkt van de accreditatiewetgeving was toen nog maar net droog, net als die van het visitatieprotocol van de QANU (Quality Assurance Netherlands Universities). De letterenopleidingen in Nederland mochten er zo’n beetje als eerste mee aan de slag. Vooral de opzet en de organisatie van de visitatie stemden ons in letterenland in die dagen niet vrolijk. Sterker: maakte ons zelfs nogal boos. In een column in Forum, de nieuwsbrief van mijn faculteit, van 2 maart 2005 gaf ik uiting aan die gevoelens en schreef ik onder andere het volgende:

"Het huidige visitatieprotocol is geschreven met een pen die gedoopt is in wantrouwen. Daardoor is in de systematiek de nadruk vrijwel volledig komen te liggen op de verantwoordingsfunctie van een visitatie in plaats van op de verbeterfunctie ervan. En dat is allemaal weer ingegeven door het feit dat elke opleiding in Nederland apart moet worden geaccrediteerd en door de eisen die de NVAO in dat licht aan de visitatie stelt. Aan de wijze waarop vroeger werd gevisiteerd, kleefden ongetwijfeld ook veel nadelen maar daarbij stond in ieder geval de vraag voorop of, en zo ja, hoe het beter kan. Die vragen beantwoorden is wat peers bij uitstek willen en goed kunnen. En dat maakt uiteindelijk ook het schrijven van een zelfstudie nuttig. Maar de droogstoppelhouding die én opleidingen én visitatiecommissies zich nu moeten aanmeten is verre van zinvol."

Het recent herziene accreditatiesysteem kan veel van de kwalen van het oude systeem verhelpen. Dat nieuwe systeem bestaat uit een instellingsaudit en een opleidingsvisitatie. De eerste is een beoordeling van zeg maar de bureaucratische aspecten van een universiteit of hogeschool. De visitatie is een beoordeling van de vakinhoudelijke en (vak)didactische aspecten van elke opleiding afzonderlijk.

Ik ben dus hoopvol gestemd. Immers, in de nieuwe systematiek kan de opleidingsvisitatie weer voluit in het teken komen te staan van de verbeterfunctie en ontdaan worden van allerlei bureaucratische ballast. Daardoor is het voor alle daarbij betrokken partijen, zowel aan de gevisiteerde als aan de visiterende kant, interessanter en zinvoller om eraan mee te werken. Dit komt de kwaliteit van het onderwijs ten goede. Die bureaucratische ballast kan tijdens de instellingsaudit afgehandeld worden met diegenen die daar verantwoordelijk voor zijn: de bestuurders en het ambtenarenapparaat. Daardoor kan het gehele proces in beginsel ook efficiënter, lichter, effectiever en in het bijzonder voor de betrokken docenten inspirerender en minder belastend van aard worden.

In beginsel. Want als we niet oppassen, kan het nieuwe systeem juist ook zeer negatief uitpakken en op grond van mijn deelname aan een eind 2008 gehouden proefronde weet ik dat dit niet denkbeeldig is. In de eerste plaats is het van groot belang dat elke beoordelaar zich goed bij zijn leest houdt: de opleidingsvisiteur moet niet uiteindelijk ook de rol van auditeur willen spelen en omgekeerd. In het verlengde hiervan moet voorafgaande aan visitatie en audit heel duidelijk zijn welke informatie bij welke beoordeling moet worden verstrekt. Zo wordt dubbel werk vermeden. Dit lijken open deuren. Maar zien we hier niet scherp op toe, dan zal het nieuwe systeem eerder tot lastenverzwaring dan tot lastenverlichting leiden. Vooral voor de betrokken docenten.

En voor die docenten ligt nog iets anders op de loer: het bureaucratische beest binnen de instellingen van hoger onderwijs zelf. Nu die instellingen zelf, terecht, meer worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hun opleidingen, dreigt het gevaar dat er te zware kwaliteitszorgsystemen worden opgetuigd en de verlichting op het terrein van de externe visitatie teniet wordt gedaan door de verzwaring van interne regelarij. De uitdaging voor de instellingen is dus de interne bewaking van de kwaliteit van het onderwijs zo in te richten dat deze precies op tijd de bel laat rinkelen wanneer er iets mis dreigt te gaan, zonder dat het een modderstroom aan allerlei gegevens voortbrengt. En in zo’n systeem moet ook recht worden gedaan aan het feit dat instellingen van hoger onderwijs intern zeer gedifferentieerd zijn, met een gevarieerde rijkdom aan onderwijstradities en -culturen. Laten we dat kind alsjeblieft niet met het badwater weggooien.'

Ton van Haaften is als hoogleraar verbonden aan Faculteit der Geesteswetenschappen van de Leiden University Centre for Linguistics (LUCL).

In de praktijk
01 FEB
No comments
 

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties op dit artikel.

Wat is jouw mening?

* verplicht in te vullen
** uw e-mail adres zal nergens gepubliceerd worden, noch doorgegeven worden aan 3rd parties.