Over tno's
Gepubliceerd door Duco Duchatteau op maandag 1 februari
In de afgelopen jaren zijn ons verschillende kijkjes in de accreditatiekeuken gegund. Regelmatig verzorgen we het secretariaat voor de toets nieuwe opleiding (tno) van opleidingen in de zorg voor de NVAO, maar ook hebben we verschillende malen voor "de andere kant van de tafel" mogen werken bij de ontwikkeling van nieuwe opleidingen in de zorg, variërend van het begin van de ontwerpketen in een oriënterende verkenning tot het einde van het traject bij het opstellen van het informatiedossier.
Door in de afgelopen jaren verschillende petten te hebben gepast in het ontwikkelings-, tno- en accreditatieproces, kunnen we op basis van onze - niet representatieve -steekproef enkele ervaringen delen over de rol die het fenomeen tno heeft gespeeld in de kwaliteitsverbetering in het hoger onderwijs.
Het is veilig om te stellen dat de kwaliteit van de aanvraagdossiers in de afgelopen jaren sterk is toegenomen. Een ieder die meerdere jaren bij het proces van tno betrokken is geweest zal deze observatie delen. Betekent dit nu ook, dat de kwaliteit van de opleidingen hiermee is toegenomen? Of zijn onderwijsinstellingen simpelweg vaardiger geworden in het schrijven van dossiers?
Criteria
Bij het ontwerpen van nieuwe opleidingen wordt in een vroeg stadium gebruik gemaakt van de criteria die worden gehanteerd bij de tno. Natuurlijk mede omdat dit handig is voor het latere traject (het indienen van een aanvraag voor een tno), maar ook omdat de criteria een bruikbare kapstok bieden bij het bespreken van verschillende elementen van de opleiding. Zo wordt in een eerder stadium aandacht geschonken aan het kwaliteitsbeleid voor de opleiding en is de vraag “waar leiden we nu eigenlijk precies voor op" veel dominanter dan in het verleden.
In het verleden - we hoeven hier niet eens zo lang voor terug te gaan in de tijd - werd al vroeg in het ontwerpproces de aandacht vooral gericht op het curriculum. Nu wordt langer stilgestaan bij de wezensvraag “leiden we op tot een professional of wetenschapper waar het werk- of onderzoeksveld ook daadwerkelijk op zit te wachten?" De dialoog tussen opleiders en werkgeververs komt al vroeg in het proces tot stand en is aanzienlijk substantiëler dan in het verleden gebruikelijk was. Pas als helder is waartoe moet worden opgeleid, worden de beoogde competenties vertaald naar concrete leerdoelen en een programma voor de opleiding. Dit moge vandaag de dag vanzelfsprekend lijken, tien jaar geleden was dit niet zonder meer de gangbare wijze van curriculumontwerp.
Betere borging
Ook het kwaliteitsbeleid heeft een stevige impuls gekregen. De ontwikkeling van studenttevredenheidsenquetes (waar al dan niet iets mee werd gedaan), naar een structurele kwaliteitszorg aan de hand van concrete doelen en monitoring in een volwaardige kwaliteitscyclus heeft ontegenzeggelijk geleid tot betere borging van de kwaliteit van onderwijs. Kwaliteit die sowieso aanzienlijk is verbeterd in de afgelopen jaren. Curricula zijn steeds vaker coherent en logisch opgebouwd met minder overlap en het programma is steeds vaker gestoeld op een doordachte didactische visie en de relatie tussen inhoud en werkvorm is sterk verbeterd.
Is dit nou allemaal toe te schrijven aan de NVAO? Dat zou waarschijnlijk te veel eer zijn. De toename van kwaliteit in het hoger onderwijs is deels een autonome ontwikkeling die wordt gevoed door toegenomen wetenschappelijke kennis op het gebied van kwaliteit van onderwijs en volwassenwording van de kennis op het gebied van kwaliteitszorg. Het feit dat een opleiding gedwongen wordt om op alle facetten te beschrijven wat ze doen en waarom ze dit zo doen, heeft ongetwijfeld wel geholpen bij dit proces.
Preventieve werking
Het is moeilijk de bijdrage van de NVAO is de toename van kwaliteit van onderwijs specifiek te identificeren, maar in elk geval gaat er een preventieve werking uit van de tno. Een hogeschool of universiteit gaat niet over één nacht ijs voordat een tno voor een opleiding wordt aangevraagd. Uit het feit dat nog steeds een substantieel aantal aanvragen negatief wordt beoordeeld, blijkt dat het proces meer is dan een bureaucratische exercitie. Wanneer een hogeschool of universiteit na een voornemen tot negatief besluit zijn aanvraag terugtrekt en later dezelfde aanvraag na verbetering op de kritiekpunten opnieuw indient, dan zie je pas echt de meerwaarde van het tno-proces.
In deze gevallen bewijst de NVAO door zich "streng doch rechtvaardig" op te blijven stellen dat het een concrete bijdrage levert aan de kwaliteit van het onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Deze opleidingen worden nu sterk verbeterd aan studenten aangeboden. Het kost tijd, veel tijd zelfs, en het leidt niet zelden tot grote frustratie bij de betreffende hogeschool of universiteit, maar wat telt is het programma zoals dat uiteindelijk aan de student wordt aangeboden. De student plukt hier de vruchten van! Het gaat uiteindelijk om kwalitatief hoogwaardig onderwijs. De rol die de NVAO hierin vervult is meer dan alleen een stok achter de deur.
Het heeft de afgelopen jaren heel wat energie gekost, zowel van de NVAO als van de vele panelleden, maar vooral van de hogescholen en universiteiten zelf. Met meer dan 600 beoordeelde opleidingen per jaar staat de teller inmiddels op ruim 3100. Een resultaat waar alle betrokkenen trots op mogen zijn!
Duco Duchatteau MBA is vennoot bij LSJ Medisch Projectbureau, een adviesbureau voor de gezondheidszorg dat zich heeft gespecialiseerd in beroepsontwikkeling en opleiden. Hij trad voor de NVAO diverse malen op bij tno-beoordelingen als externe secretaris.

Reacties
Er zijn nog geen reacties op dit artikel.