Franck Vandenbroucke over mobiliteit, vernieuwen en Europa
Gepubliceerd door Eddy Bonte op maandag 1 februari
'We mogen onze studenten er ook op attenderen dat Groot-Brittannië en Duitsland interessante landen zijn. Het is belangrijk dat je nieuwe doelstellingen meegeeft. Het hoger onderwijs in Europa heeft wel degelijk een eigen, Europese identiteit.' Franck Vandenbroucke over mobiliteit, vernieuwen en Europa. En over dromen en mensen.
Over mobiliteit
Frank Vandenbroucke: 'Het slotcommuniqué van de Europese vergadering van ministers van Onderwijs in Leuven in april 2009 stelt dat tegen 2020 minstens 20 procent van studenten, personeel en jonge onderzoekers bij mobiliteit betrokken moeten zijn. Aan mobiliteit wordt in het communiqué ook kwaliteit gekoppeld. Dat klinkt ambitieus en sommigen vonden het overdreven. Het lag gevoelig, maar ik vind dat we best kritisch mogen zijn tegenover onze mobiliteitsdoelstellingen. Als het enkel een leuke tijd doorbrengen is in het zuiden van Europa, dat zijn we niet goed bezig. We mogen onze studenten er ook op attenderen dat Groot-Brittannië en Duitsland interessante landen zijn. We moeten dus reflecteren over de kwaliteit van de mobiliteit. Tegelijkertijd zie ik geen argumenten om de kwantitatieve inspanning niet te verhogen. Mijn bottom line is ook hier: als je dat niet aanpakt als verantwoordelijke overheid en als je niet als collectiviteit doelstellingen formuleert, dan zullen bepaalde instellingen en bepaalde instellingen er wel vorm aan geven. Alleen zal dat voor de happy few zijn en mijn keuze gaat uit naar de happy many. Het is belangrijk dat de Bolognagroep durfde zeggen 'we gaan voor 20 procent'. Het is hoog gegrepen, maar het is wel belangrijk dat je dat zegt.'
Over vernieuwen
'Er zijn natuurlijk goede argumenten om ook achteruit te kijken en ons af te vragen of alle doelstellingen van 1999 wel gerealiseerd werden. Ik begrijp dus dat men terughoudend staat tegenover nieuwe ambities. Het Bolognaproces heeft natuurlijk heel wat stress meegebracht voor onze instellingen en we bevinden ons deels nog altijd in unchartered territory: het terrein heeft zijn definitieve plooi nog niet gevonden, niet alle effecten zijn definitief gekend. Neem de flexibilisering: schiet die niet door? We kennen niet alle antwoorden en dus begrijp ik de mensen die zeggen: wacht, niet weer nieuwe dingen, eerst de lopende zaken goed afwerken. Toch is het belangrijk dat je nieuwe doelstellingen meegeeft, ook al zullen die dan niet dezelfde organisatorische omwentelingen meebrengen als de voorgaande.'
Over Europese identiteit
'Het hoger onderwijs in Europa heeft wel degelijk een eigen, Europese identiteit. Wij leggen meer nadruk op public funding, we zetten ons af tegen vermarkting, vergelijkingen tussen instellingen moeten gebaseerd zijn op multidimensionale criteria en de bestaande diversiteit transparant maken. Daarom is Bologna een club die we m.i. best niet snel nog groter maken. Als de club groter wordt, riskeer je verwatering van de Europese eigenheid. Het Bolognaproces zelf, hoort bij die eigenheid. Wel gaan we in dialoog met mogelijke partners; zij behoren tot de brede familiekring, maar we maken ze niet direct lid van de club. Hoe dan ook, toont dit aan dat we mondiaal met diverse stromingen en opvattingen over hoger onderwijs te maken hebben, dat je een mondiale discussie krijgt over het hoger onderwijs.'
Over de Bologna-formule
'Het klopt als je zegt dat het Leuvense communiqué voor een stuk klinkt als een "voorzichtigheidsagenda", met als stijlfiguur "als we niet opletten dan". Er is inderdaad sprake van uitkijken hier, gevaarvolle uitdaging daar… Dat klinkt soms wat defensief, akkoord. Je moet er wel rekening mee houden dat onderwijsmensen en hun instellingen de voorbije tien jaar veel organisatorische stress hebben meegemaakt en dus niet staan te springen voor allerlei nieuwe doelstellingen. Dan volgt als vanzelf de stijlfiguur: let op, daar ligt nog een grote uitdaging voor je en als je die niet overwint, dan lukt dit of dat niet. Zo’n stijl illustreert de ambitie om mogelijke weerstand aan de basis te ondervangen, maar het klinkt nogal negatief, dat is waar.
Daarnaast ademt het communiqué de sfeer uit van april 2009: de bankcrisis was uitgebarsten en de eerste gevolgen op de reële economie werden zichtbaar. Dan heb je zoiets van: hou je vast aan de takken van de bomen. Nu is het eigen aan een sociaal-democratische opvatting over politiek dat je probeert zaken te realiseren in een context die precies de realisatie ervan bemoeilijkt, dus dat stoort me persoonlijk niet. Maar toch: als ik met een helikopterperspectief naar Bologna kijk en dan vergelijk met het proces dat Europa in gang heeft gezet voor zijn werkgelegenheidsstrategie of andere, vergelijkbare sociale domeinen, dan is Bologna veel succesrijker. Nochtans gaat het in beide gevallen om een open coördinatiemethode en soft law. Waarom kent Bologna dan meer succes? Het antwoord is dat – in tegenstelling tot wat de individuele docent of een instelling wel eens denkt –Bologna een zeer sterk bottom up-proces is. Het is ontstaan uit de instellingen en hoewel het de initiatiefnemende instellingen heeft overvleugeld, houdt het nog altijd zeer sterk rekening met het veld. Dat verklaart, denk ik, waarom Bologna zoveel aflevert. Bologna is een troef. Het heeft gewerkt en dus zeg ik: hou het in gang.'
Tot slot, over dromen en mensen
Twintig jaar terug publiceerde de toen 35-jarige Frank Vandenbroucke "Over dromen en mensen", een boek over de sociaal-democratische samenleving en de weg ernaar toe (Davidsfonds, Leuven, 1990, 203 pp). In het hoofdstuk over onderwijs schenkt hij aandacht aan leerplichtonderwijs, democratisering van het middelbaar onderwijs, organisatie van scholen en netten en weinig aan het hoger onderwijs. Als minister besteedde hij wel veel aandacht aan hoger onderwijs. Een tekort van toen, een overbeklemtoning van nu?
Frank Vandenbroucke: 'Veel heeft te maken met de context van toen. De klemtonen die ik legde, zijn niet zo verbazend, want het politieke debat ging toen over ingrepen en bijsturingen op meso- en macroniveau in het secundair onderwijs. Typische vragen luidden hoeveel autonomie een school kon of moest hebben of hoe een scholennet zich diende te structureren en organiseren. We hadden net een debat over rationalisatie achter de rug en tegengestelde belangen en rivaliteit tussen de schoolnetten wogen sterk op de agenda. Als je me vraagt naar een rangorde van beleidsaandacht tussen leerplichtonderwijs en hoger onderwijs, dan antwoord ik: je moet over beide discussiëren. Je kan niet over het hoger onderwijs praten en de sporten eronder vergeten. Maar het omgekeerde geldt ook. Wellicht ben ik toen inzake inzicht wat tekortgeschoten, maar dat was ook zo voor heel de politieke agenda. Eén ding is duidelijk: als je vandaag de dag geen boodschap hebt voor de toch heel grote groep jongeren die hoger onderwijs volgt, dan schiet je werkelijk te kort. Ik stel een verschuiving in de realiteit vast: in tegenstelling tot de tijd van de eerste democratiseringsgolf van veertig jaar en meer geleden, is hoger onderwijs nu een basisbehoefte voor een hele grote groep jonge mensen.'
Eddy Bonte is hoofdredacteur van Q&A magazine en communicatieadviseur bij de NVAO.

Reacties
Er zijn nog geen reacties op dit artikel.